Google Analytics
zaterdag 11 oktober 2014
zaterdag 4 oktober 2014
Bus
Hij kijkt heel sip, na mijn boodschap. Weer is het anders uitgepakt dan hij bedoelde, en weer komt hij fout uit. Hij snapt er niets van.
Gisteravond nog was hij heel blij. Hij mag van ons met de bus naar zijn werk, want zo ver is hij al. En gisteravond kwam hij ons vertellen dat hij een vriendin heeft. Die heeft hij ontmoet in de bus. En omdat hij weet dat wij de mensen met wie hij regelmatig omgaat willen leren kennen heeft hij haar gelijk maar verteld dat hij bij ons woont. En waarom hij bij ons woont. Hij heeft haar ons telefoonnummer gegeven, want dat moet van ons. In zijn enthousiasme is hij vergeten haar telefoonnummer te vragen en hij weet ook alleen maar haar voornaam. Maar dat geeft niet, zegt hij, want zij zal ons bellen en zeggen dat ze zijn vriendin is.
Inderdaad wordt er die ochtend gebeld, maar niet door haar. Door haar moeder. En moeder vertelt ons niet dat haar dochter een vriend heeft die bij ons woont. Moeder vráágt ons iets, namelijk of wij onze engerds voortaan binnen willen houden.
Het blijkt dat hij in de bus inderdaad enthousiast over zichzelf heeft verteld, over waar hij nu verblijft, aan welke stoornis hij lijdt en welke delicten hij heeft gepleegd. En we hadden nog wel zo met hem geoefend, over hoe hij onbekende mensen moest benaderen en dat hij in zo'n eerste gesprek het maar wat oppervlakkig moet houden. Pas later, en met hulp van ons, vertellen we dan heel voorzichtig iets meer. Dat weet hij wel, maar hij was het in zijn enthousiasme vergeten.
En nu zit er veel werk voor ons aan. Wij moeten naar moeder en dochter om te achterhalen of ze erg aangedaan zijn - en om te vragen of hij nog wel met dezelfde bus kan reizen. De dochter beperkt zich tot veel gegiechel en tot woorden als 'gek' en 'pedo'. Niet dat hij een pedofiel is, maar we leren dat de busgenoten van de dochter ál onze patiënten gemakshalve 'pedo' noemen. Begrijpelijk dus dat moeder bezwaar heeft, en blijft hebben, ook als we uitgelegd hebben dat hij geen 'pedo' is. Wel vindt ze het goed dat er de komende week een begeleider met hem meereist, in de bus.
Maar de begeleider ziet al snel dat dit geen goed idee is. De bus wordt nagenoeg geheel bevolkt door schoolgenoten van de bijna-vriendin, en die blijken allemaal tot in detail op de hoogte te zijn. Op de wijze waarop schoolgaande jeugd dat nog heel goed kan wordt hij ontvangen in de bus, een ontvangst die vooral bestaat uit de te luid gefluisterde woorden 'gek' en 'pedo'. En twee dagen later belt de school zelf. De gehele school blijkt geïnformeerd over hem en omdat zijn verhaal zelf kennelijk te dun werd bevonden zijn er in die korte tijd veel details aan zijn verhaal toegevoegd. Die details doen zelfs ons rillen en zijn ook onjuist - ze moeten wel ontsproten zijn aan een zich vervelend puberbrein - maar er is geen houden meer aan.
Nu moet hij een bus vroeger. Daar zit geen schooljeugd in, maar mensen die vroeg aan hun fabrieksarbeid beginnen. Die hebben nog geen zin in een praatje, die slapen nog wat in de bus. Hij vindt het niet een leuke bus, vandaar dat hij sip is. En hij mag van ons met niemand praten in de bus, niet anders dan 'goedemorgen'.
Maar hij is niet lang sip. Al na twee dagen meldt hij ons dat er een jongedame in de bus zit die veel naar hem glimlacht - hij weet het zeker: ze vindt hem leuk.
Dus we oefenen maar weer met hem, over hoe je een kletspraatje houdt. En we houden ons hart vast, want we hebben niet meer bussen.
Gisteravond nog was hij heel blij. Hij mag van ons met de bus naar zijn werk, want zo ver is hij al. En gisteravond kwam hij ons vertellen dat hij een vriendin heeft. Die heeft hij ontmoet in de bus. En omdat hij weet dat wij de mensen met wie hij regelmatig omgaat willen leren kennen heeft hij haar gelijk maar verteld dat hij bij ons woont. En waarom hij bij ons woont. Hij heeft haar ons telefoonnummer gegeven, want dat moet van ons. In zijn enthousiasme is hij vergeten haar telefoonnummer te vragen en hij weet ook alleen maar haar voornaam. Maar dat geeft niet, zegt hij, want zij zal ons bellen en zeggen dat ze zijn vriendin is.
Inderdaad wordt er die ochtend gebeld, maar niet door haar. Door haar moeder. En moeder vertelt ons niet dat haar dochter een vriend heeft die bij ons woont. Moeder vráágt ons iets, namelijk of wij onze engerds voortaan binnen willen houden.
Het blijkt dat hij in de bus inderdaad enthousiast over zichzelf heeft verteld, over waar hij nu verblijft, aan welke stoornis hij lijdt en welke delicten hij heeft gepleegd. En we hadden nog wel zo met hem geoefend, over hoe hij onbekende mensen moest benaderen en dat hij in zo'n eerste gesprek het maar wat oppervlakkig moet houden. Pas later, en met hulp van ons, vertellen we dan heel voorzichtig iets meer. Dat weet hij wel, maar hij was het in zijn enthousiasme vergeten.
En nu zit er veel werk voor ons aan. Wij moeten naar moeder en dochter om te achterhalen of ze erg aangedaan zijn - en om te vragen of hij nog wel met dezelfde bus kan reizen. De dochter beperkt zich tot veel gegiechel en tot woorden als 'gek' en 'pedo'. Niet dat hij een pedofiel is, maar we leren dat de busgenoten van de dochter ál onze patiënten gemakshalve 'pedo' noemen. Begrijpelijk dus dat moeder bezwaar heeft, en blijft hebben, ook als we uitgelegd hebben dat hij geen 'pedo' is. Wel vindt ze het goed dat er de komende week een begeleider met hem meereist, in de bus.
Maar de begeleider ziet al snel dat dit geen goed idee is. De bus wordt nagenoeg geheel bevolkt door schoolgenoten van de bijna-vriendin, en die blijken allemaal tot in detail op de hoogte te zijn. Op de wijze waarop schoolgaande jeugd dat nog heel goed kan wordt hij ontvangen in de bus, een ontvangst die vooral bestaat uit de te luid gefluisterde woorden 'gek' en 'pedo'. En twee dagen later belt de school zelf. De gehele school blijkt geïnformeerd over hem en omdat zijn verhaal zelf kennelijk te dun werd bevonden zijn er in die korte tijd veel details aan zijn verhaal toegevoegd. Die details doen zelfs ons rillen en zijn ook onjuist - ze moeten wel ontsproten zijn aan een zich vervelend puberbrein - maar er is geen houden meer aan.
Nu moet hij een bus vroeger. Daar zit geen schooljeugd in, maar mensen die vroeg aan hun fabrieksarbeid beginnen. Die hebben nog geen zin in een praatje, die slapen nog wat in de bus. Hij vindt het niet een leuke bus, vandaar dat hij sip is. En hij mag van ons met niemand praten in de bus, niet anders dan 'goedemorgen'.
Maar hij is niet lang sip. Al na twee dagen meldt hij ons dat er een jongedame in de bus zit die veel naar hem glimlacht - hij weet het zeker: ze vindt hem leuk.
Dus we oefenen maar weer met hem, over hoe je een kletspraatje houdt. En we houden ons hart vast, want we hebben niet meer bussen.
zondag 11 mei 2014
Seks (3)
Het is niet van alle tijden, en ook niet van alle culturen. Maar het komt wel overal voor: de angst voor seks. In verrassend veel landen is geoordeeld dat als je seks gewoon aan de mensen overlaat, het een janboel wordt. Vandaar dat er stevig werd en wordt ingegrepen, zowel door overheidsinstanties als door religieuze groeperingen. Die schreven en schrijven graag voor wanneer seks mag - onderstaand schema vat het even samen. De bedoeling is immers niet dat u er plezier aan beleeft, daarvoor is de zaak te ernstig.
Het nadeel van regels en voorschriften is dat mensen staan te popelen om deze te overtreden. De seksuele drift is domweg te sterk - of u het nu goed vindt of niet, mensen doen toch aan seks. Dan helpt het om seks angstaanjagend te maken: je kunt er dood aan gaan. Het Amerikaanse leger was er goed in, in angst opwekken. Onderstaande plaatjes zijn van voor het Aids-tijdperk. In die tijd waren vrouwen nog gevaarlijk, in dit geval prostituees. Een leger heeft niets aan zieke soldaten, dus werd met stoere taal - het leger, nietwaar - duidelijk gemaakt dat een echte vent gemakkelijk de verleiding weet
Kennelijk viel het niet mee om een echte vent te zijn. Al binnen een paar jaar ging het Amerikaanse leger over op het verstrekken van voorbehoedsmiddelen, hetgeen ook meer recht doet aan de testosteronbom die het Amerikaanse leger vormt.
Het leger maakt vooruitgang: seks is niet te stoppen, ontdekten ze, dus had iedere marineboot medisch gekwalificeerd personeel aan boord met als specialisme geslachtsziekten. Ná iedere haven werd iedere matroos verplicht onderzocht - officieren uiteraard niet, die doen niet aan seks.
Het idee dat mannen onderling aan seks doen op zo'n boot moest nog uitgevonden worden. Dus pas veel later bleek dat het leger ook mannen te vrezen had. Maar in die tijd waren ze vooral bang voor vrouwen - het hele leger had vrouwenangst.
Ten strijde dus tegen een mannenleger én de vrouwelijke seksualiteit. Maar van die tweede win je niet, nooit.
Het nadeel van regels en voorschriften is dat mensen staan te popelen om deze te overtreden. De seksuele drift is domweg te sterk - of u het nu goed vindt of niet, mensen doen toch aan seks. Dan helpt het om seks angstaanjagend te maken: je kunt er dood aan gaan. Het Amerikaanse leger was er goed in, in angst opwekken. Onderstaande plaatjes zijn van voor het Aids-tijdperk. In die tijd waren vrouwen nog gevaarlijk, in dit geval prostituees. Een leger heeft niets aan zieke soldaten, dus werd met stoere taal - het leger, nietwaar - duidelijk gemaakt dat een echte vent gemakkelijk de verleiding weet
Kennelijk viel het niet mee om een echte vent te zijn. Al binnen een paar jaar ging het Amerikaanse leger over op het verstrekken van voorbehoedsmiddelen, hetgeen ook meer recht doet aan de testosteronbom die het Amerikaanse leger vormt.
Het leger maakt vooruitgang: seks is niet te stoppen, ontdekten ze, dus had iedere marineboot medisch gekwalificeerd personeel aan boord met als specialisme geslachtsziekten. Ná iedere haven werd iedere matroos verplicht onderzocht - officieren uiteraard niet, die doen niet aan seks.
Het idee dat mannen onderling aan seks doen op zo'n boot moest nog uitgevonden worden. Dus pas veel later bleek dat het leger ook mannen te vrezen had. Maar in die tijd waren ze vooral bang voor vrouwen - het hele leger had vrouwenangst.
Ten strijde dus tegen een mannenleger én de vrouwelijke seksualiteit. Maar van die tweede win je niet, nooit.
maandag 5 mei 2014
Alcohol (1)
De rapporten geven aan dat hij op zijn 8e al alcohol dronk. Op zijn 18e waren dat 65 blikjes bier, per dag - vanaf zijn 23e aangevuld met sterke drank. En op zijn 28e sloeg hij een vrouw dood. Hij heeft geen flauw idee waarom maar begrijpt het als het trieste dieptepunt in een triest leven.
Je vraagt je veel af als je zijn verhaal leest. Ik vraag mij af waar de volwassenen zijn, in zijn leven. Hij vertelt het mij. Zijn vader kent hij niet, vermoedelijk een zeeman; moeder is prostituee. Kinderen passen niet in haar leven, toch heeft hij nog een jongere broer. Waar die is weet hij niet. En er waren ooms en tantes, bij één oom en tante heeft hij nog in huis gewoond, tot moeder hem daar weghaalde. Hij ging school en heeft nog twee jaar LTS gedaan en daarna even gewerkt, in een magazijn. Dan een uitkering en een kamer.
Drank, daar draait zijn leven om. Als hij wakker werd opende hij, na zijn ogen, een blikje bier. Pas na een paar slokjes ging hij plassen. Zijn leven staat in het teken van het krijgen van drank. Hij deed er alles voor: liegen, stelen, roven - en uiteindelijk iemand doodslaan, omdat ze geen geld had. De volstrekte zinloosheid hiervan is hem duidelijk, hij snapt het ook niet.
Hij is pas 32, maar beschouwt zijn leven als volstrekt mislukt en totaal overbodig. Hij heeft nooit iets verricht, nooit iets gepresteerd - er is niemand die blij van hem wordt, niemand die hem mist, niemand die op hem wacht. Hij kent niemand, hij noemt zichzelf niemand. Letterlijk: "ik ben een niemand". Hij is zich zeer sterk van zichzelf bewust, en nog sterker van zijn eigen nietigheid. Maar het sterkst van zijn eigen overbodigheid. Hij is niet dom, hij doorziet dingen snel maar de lust tot leven ontbreekt. Hij sjokt op oude slippers in kleren die de kringloop nog niet wil hebben, altijd wat gebukt. Hij ging al gebukt onder zichzelf, en nu nog meer door zijn delict. Hij is diep doordrongen van wat hij heeft gedaan.
Zelden hebben wij iemand gezien die zó verwaarloosd is geweest.
Wij bieden hem aan er iets van te gaan maken, te gaan kijken of zijn leven nog wat kan worden. Wij bieden hem behandeling aan. Hij kijkt er van op - hij kent geen mensen die tijd en energie in hem willen investeren. Hij vraagt bedenktijd. Hij vraagt twee weken bedenktijd, en daarna nog eens twee weken. In die tijd vertellen wij hem over behandeling, over hoe dat er uit zou kunnen zien. En wij laten hem onze arbeidstherapie-afdelingen zien, en de afdeling trainingen en therapieën. En over hoe wij hem kunnen helpen zijn toekomst vorm te geven.
En na zijn bedenktijd zegt hij 'ja'. En hij begint. Maar we hebben een eind te gaan met hem, een verdomd lang eind ....
Je vraagt je veel af als je zijn verhaal leest. Ik vraag mij af waar de volwassenen zijn, in zijn leven. Hij vertelt het mij. Zijn vader kent hij niet, vermoedelijk een zeeman; moeder is prostituee. Kinderen passen niet in haar leven, toch heeft hij nog een jongere broer. Waar die is weet hij niet. En er waren ooms en tantes, bij één oom en tante heeft hij nog in huis gewoond, tot moeder hem daar weghaalde. Hij ging school en heeft nog twee jaar LTS gedaan en daarna even gewerkt, in een magazijn. Dan een uitkering en een kamer.
Drank, daar draait zijn leven om. Als hij wakker werd opende hij, na zijn ogen, een blikje bier. Pas na een paar slokjes ging hij plassen. Zijn leven staat in het teken van het krijgen van drank. Hij deed er alles voor: liegen, stelen, roven - en uiteindelijk iemand doodslaan, omdat ze geen geld had. De volstrekte zinloosheid hiervan is hem duidelijk, hij snapt het ook niet.
Hij is pas 32, maar beschouwt zijn leven als volstrekt mislukt en totaal overbodig. Hij heeft nooit iets verricht, nooit iets gepresteerd - er is niemand die blij van hem wordt, niemand die hem mist, niemand die op hem wacht. Hij kent niemand, hij noemt zichzelf niemand. Letterlijk: "ik ben een niemand". Hij is zich zeer sterk van zichzelf bewust, en nog sterker van zijn eigen nietigheid. Maar het sterkst van zijn eigen overbodigheid. Hij is niet dom, hij doorziet dingen snel maar de lust tot leven ontbreekt. Hij sjokt op oude slippers in kleren die de kringloop nog niet wil hebben, altijd wat gebukt. Hij ging al gebukt onder zichzelf, en nu nog meer door zijn delict. Hij is diep doordrongen van wat hij heeft gedaan.
Zelden hebben wij iemand gezien die zó verwaarloosd is geweest.
Wij bieden hem aan er iets van te gaan maken, te gaan kijken of zijn leven nog wat kan worden. Wij bieden hem behandeling aan. Hij kijkt er van op - hij kent geen mensen die tijd en energie in hem willen investeren. Hij vraagt bedenktijd. Hij vraagt twee weken bedenktijd, en daarna nog eens twee weken. In die tijd vertellen wij hem over behandeling, over hoe dat er uit zou kunnen zien. En wij laten hem onze arbeidstherapie-afdelingen zien, en de afdeling trainingen en therapieën. En over hoe wij hem kunnen helpen zijn toekomst vorm te geven.
En na zijn bedenktijd zegt hij 'ja'. En hij begint. Maar we hebben een eind te gaan met hem, een verdomd lang eind ....
donderdag 24 april 2014
Respect
“Ik eis respect”, zegt patiënt op boze toon. Kennelijk ontbreekt het hem daaraan, dus ik heb wat te doen, want dat kan zo maar niet.
Omdat ik niet zo goed weet wat dat is, respect, baseer ik mij op de opvatting over respect van Paul Schnabel, de voormalig directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In een publicatie hierover kwam hij, in mijn woorden weergegeven, tot het volgende.
Het begrip ‘respect’ is van betekenis aan het veranderen. Voorheen was respect iets wat betuigd werd aan iemand die iets respectabels had gedaan, of die op grond van zijn functie gerespecteerd diende te worden. Dat leidde zelden tot misverstanden: men was het eens over het respectabele van de verrichtte handeling, of men bekleedde een functie – notaris, burgemeester – die puur op zichzelf dwong tot respect. Vaak ook was gewoon oud zijn voldoende voor respect – eerbied voor grijze haren – waar het respectabele er dan uit bestond om oud te worden, of grijs, of beide.
Vandaag de dag lijkt respect iets wat door iedereen opgeëist kan worden zonder dat er sprake is van de bijbehorende respectabele verrichting, of funktie. Een soort recht, als het ware: het recht op respect. Niet alleen personen, maar ook opvattingen lijken recht te hebben op respect.
Dat geeft te denken. In mijn tijd diende je inderdaad respect te hebben voor ouderen; het waarom ervan was niet altijd duidelijk omdat niet álle ouderen respect afdwongen. Er waren er, maar dat zeg ik wat kleintjes, waar ik geen respect voor had. Maar ik begreep dat toen als een tekort van mij.
Respect hebben voor opvattingen lijkt ook zo iets. Dat schijnt te moeten. En omdat ik mee moet in deze wereld doe ik dat ook maar, al moet ik eerlijk zeggen dat er – diep in mij – opvattingen zijn die ik in het geheel niet respecteer. Integendeel, ik denk nog dat er verwerpelijke opvattingen zijn.
Respect voor mensen, daar kan ik beter mee uit de voeten. Ik doe er erg mijn best voor. Vanuit mijn leeftijdsklasse bezien zou het begrijpelijk zijn als ik patiënt vroeg wat voor respectabels hij dan heeft gedaan. Maar zo'n gesprek loopt dood, patiënt voelt zich niet begrepen, voelt zich afgewezen en wordt nog nurkser. Dus ik doe het maar anders. Het gesprek verloopt als volgt ( P is patiënt, T ben ik. Schuin gedrukt: mijn overweging om zo te reageren):
P: (boos) Ik eis respect.
T: Goed idee. (bijvallen, niet tegenspreken. Haalt de wind uit de zeilen. Werkt altijd.)
..... Wat moet ik doen dat jij denkt, hé, hij heeft respect? (informatieve, vriendelijke vraag: ik wil wel, maar weet niet goed hoe. Help mij. Moeilijk voor hem om boos te blijven.)
P: ........ (Tja, wat nu. Nu moet hij nadenken over wat hij precies wil.)
Eh ...... Ja ...... Nou, dat mensen mij niet tegenspreken, enzo ....
T: Juist (Juist. Zie daar de definitie van respect. Nu nog de enzo.)
Dat is het?
P: Dat mensen mij in mijn waarde laten, enzo.(Is dat niet hetzelfde als respect? Nog maar een keer, dan.)
T: En hoe doe ik dat, jou in je waarde laten?
P: (zucht) Nou, dat ik ook eens wat goed doe, dat ze niet altijd lopen te zeiken tegen mij, enzo (Zonder enzo gaat het niet. Maar hij heeft een punt.)
T: Ja, dat is ook lastig met ons, we zien en horen alles (Bijval).... En we krijgen er nog voor betaald ook (Poging tot humor)
P: (verbaasd - gevolgd door glimlach. Poging tot humor geslaagd?) Ja dat snap ik wel man, maar dat is moeilijk. Maar ik doe nooit wat goed, het is altijd kritiek, nooit eens dat ze zeggen .... nou, dat ik het ook wel goed doe .....
Nu kan het gesprek verder. Hij heeft wel een punt, hij loopt veel kritiek op.
Respect betekent bij hem aanvankelijk 'je moet me niet tegenspreken' maar wordt tot een 'ik krijg alleen maar kritiek'. Maar nu komen we ergens. Wij kunnen stoppen met kritiek (dan heeft hij zijn respect), we kunnen ook kijken waarom hij zoveel kritiek oploopt. Nog even verder kleien, uitleggen wat de gevolgen zijn van die twee mogelijkheden en hém dan laten kiezen. Nou ja, wel een beetje sturen. Respectvol sturen ....
Omdat ik niet zo goed weet wat dat is, respect, baseer ik mij op de opvatting over respect van Paul Schnabel, de voormalig directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In een publicatie hierover kwam hij, in mijn woorden weergegeven, tot het volgende.
Het begrip ‘respect’ is van betekenis aan het veranderen. Voorheen was respect iets wat betuigd werd aan iemand die iets respectabels had gedaan, of die op grond van zijn functie gerespecteerd diende te worden. Dat leidde zelden tot misverstanden: men was het eens over het respectabele van de verrichtte handeling, of men bekleedde een functie – notaris, burgemeester – die puur op zichzelf dwong tot respect. Vaak ook was gewoon oud zijn voldoende voor respect – eerbied voor grijze haren – waar het respectabele er dan uit bestond om oud te worden, of grijs, of beide.
Vandaag de dag lijkt respect iets wat door iedereen opgeëist kan worden zonder dat er sprake is van de bijbehorende respectabele verrichting, of funktie. Een soort recht, als het ware: het recht op respect. Niet alleen personen, maar ook opvattingen lijken recht te hebben op respect.
Dat geeft te denken. In mijn tijd diende je inderdaad respect te hebben voor ouderen; het waarom ervan was niet altijd duidelijk omdat niet álle ouderen respect afdwongen. Er waren er, maar dat zeg ik wat kleintjes, waar ik geen respect voor had. Maar ik begreep dat toen als een tekort van mij.
Respect hebben voor opvattingen lijkt ook zo iets. Dat schijnt te moeten. En omdat ik mee moet in deze wereld doe ik dat ook maar, al moet ik eerlijk zeggen dat er – diep in mij – opvattingen zijn die ik in het geheel niet respecteer. Integendeel, ik denk nog dat er verwerpelijke opvattingen zijn.
Respect voor mensen, daar kan ik beter mee uit de voeten. Ik doe er erg mijn best voor. Vanuit mijn leeftijdsklasse bezien zou het begrijpelijk zijn als ik patiënt vroeg wat voor respectabels hij dan heeft gedaan. Maar zo'n gesprek loopt dood, patiënt voelt zich niet begrepen, voelt zich afgewezen en wordt nog nurkser. Dus ik doe het maar anders. Het gesprek verloopt als volgt ( P is patiënt, T ben ik. Schuin gedrukt: mijn overweging om zo te reageren):
P: (boos) Ik eis respect.
T: Goed idee. (bijvallen, niet tegenspreken. Haalt de wind uit de zeilen. Werkt altijd.)
..... Wat moet ik doen dat jij denkt, hé, hij heeft respect? (informatieve, vriendelijke vraag: ik wil wel, maar weet niet goed hoe. Help mij. Moeilijk voor hem om boos te blijven.)
P: ........ (Tja, wat nu. Nu moet hij nadenken over wat hij precies wil.)
Eh ...... Ja ...... Nou, dat mensen mij niet tegenspreken, enzo ....
T: Juist (Juist. Zie daar de definitie van respect. Nu nog de enzo.)
Dat is het?
P: Dat mensen mij in mijn waarde laten, enzo.(Is dat niet hetzelfde als respect? Nog maar een keer, dan.)
T: En hoe doe ik dat, jou in je waarde laten?
P: (zucht) Nou, dat ik ook eens wat goed doe, dat ze niet altijd lopen te zeiken tegen mij, enzo (Zonder enzo gaat het niet. Maar hij heeft een punt.)
T: Ja, dat is ook lastig met ons, we zien en horen alles (Bijval).... En we krijgen er nog voor betaald ook (Poging tot humor)
P: (verbaasd - gevolgd door glimlach. Poging tot humor geslaagd?) Ja dat snap ik wel man, maar dat is moeilijk. Maar ik doe nooit wat goed, het is altijd kritiek, nooit eens dat ze zeggen .... nou, dat ik het ook wel goed doe .....
Nu kan het gesprek verder. Hij heeft wel een punt, hij loopt veel kritiek op.
Respect betekent bij hem aanvankelijk 'je moet me niet tegenspreken' maar wordt tot een 'ik krijg alleen maar kritiek'. Maar nu komen we ergens. Wij kunnen stoppen met kritiek (dan heeft hij zijn respect), we kunnen ook kijken waarom hij zoveel kritiek oploopt. Nog even verder kleien, uitleggen wat de gevolgen zijn van die twee mogelijkheden en hém dan laten kiezen. Nou ja, wel een beetje sturen. Respectvol sturen ....
zondag 13 april 2014
Thuis
Opgepakt worden door de politie, dat went. Volgens zijn Justitieel dossier is hij 41 keer veroordeeld, en dat betekent dat hij vele malen vaker moet zijn opgepakt. Hij heeft zijn leven de afgelopen 15 jaar doorgebracht binnen Hoog Catharijne, het Huis van Bewaring en de gevangenis. En hij is ook nog vier keer getrouwd geweest. En daar vertelt hij nu over.
Het vinden van een huwelijkspartner is niet moeilijk, daar zijn blaadjes voor. Vanuit de gevangenis zet hij dan een contactadvertentie en dan zijn er zo maar trouwlustige dames, die hem en passant ook willen redden van verdere Justitiële bemoeienis. Ze komen dan op bezoek, in de gevangenis en omdat hij voldoet aan bijna alle criteria voor psychopathie, inclusief de charmante, gladde prater, kon hij uitkiezen.
Zelf dacht hij niet aan trouwen, hij had onderdak nodig, daar ging het hem om. Maar bezwaar had hij ook niet, en omdat hij echt ook wel lief voor zijn vrouwen was, kwam het er toch van. En zo is hij twee keer in de gevangenis getrouwd, en twee keer er buiten.
Hij vertelt dit alles als heeft hij een gewoon normaal mensenleven geleefd, doorsnee. Niets in zijn leven beschouwd hij als bijzonder - ook een psychopatentrekje, trouwens.
En dan ging hij met zo'n mevrouw, keurig getrouwd, mee naar huis en daar kreeg hij het Spaans benauwd.
Aan woorden ontbreekt het hem niet, en aan beeldende taal ook niet. Hij betreedt een hem onbekend huis en gaat zitten op een hem onbekende stoel. Daar zit hij, heel stil, want niets is van hem. Hij durft niets aan te raken, "ook na maanden durfde ik nog geen kastje open te maken". Hij ligt 's nachts in een hem onbekend bed naast een hem, in feite onbekende mevrouw. Hij wast niet af, stofzuigt niet, durft nog geen vaasje te verzetten, leegt zelfs de asbak niet.
Dan slaat langzaam de rusteloosheid toe, en het besef dat dit niet werkt. En hoewel hij lief is voor zijn vrouw, en zij voor hem, komt de dag dat hij opstaat uit zijn stoel en gaat. En dan komt hij niet meer terug. Want dat kun je, als je psychopaat bent.
Dan komt hij in een stad en koopt cocaïne en alcohol. En dan komt hij weer tot leven. En daarvoor leegt hij opnieuw kassa's van winkels en dat gaat goed tot hij weer opgepakt wordt.
"En dan ga ik weer naar huis", zegt hij. En dan bedoelt hij niet naar zijn vrouw, hij heeft het over de gevangenis. Wat dat is zijn thuis, het is de enige plek waar hij niet stil in een stoel zit en niets durft aan te raken. En hij tekent daar de echtscheidingsformulieren want vlak voordat hij vertrok durfde hij wel iets aan te raken, en dat nam hij dan mee. En dan zet hij een contactadvertentie.
Het vinden van een huwelijkspartner is niet moeilijk, daar zijn blaadjes voor. Vanuit de gevangenis zet hij dan een contactadvertentie en dan zijn er zo maar trouwlustige dames, die hem en passant ook willen redden van verdere Justitiële bemoeienis. Ze komen dan op bezoek, in de gevangenis en omdat hij voldoet aan bijna alle criteria voor psychopathie, inclusief de charmante, gladde prater, kon hij uitkiezen.
Zelf dacht hij niet aan trouwen, hij had onderdak nodig, daar ging het hem om. Maar bezwaar had hij ook niet, en omdat hij echt ook wel lief voor zijn vrouwen was, kwam het er toch van. En zo is hij twee keer in de gevangenis getrouwd, en twee keer er buiten.
Hij vertelt dit alles als heeft hij een gewoon normaal mensenleven geleefd, doorsnee. Niets in zijn leven beschouwd hij als bijzonder - ook een psychopatentrekje, trouwens.
En dan ging hij met zo'n mevrouw, keurig getrouwd, mee naar huis en daar kreeg hij het Spaans benauwd.
Aan woorden ontbreekt het hem niet, en aan beeldende taal ook niet. Hij betreedt een hem onbekend huis en gaat zitten op een hem onbekende stoel. Daar zit hij, heel stil, want niets is van hem. Hij durft niets aan te raken, "ook na maanden durfde ik nog geen kastje open te maken". Hij ligt 's nachts in een hem onbekend bed naast een hem, in feite onbekende mevrouw. Hij wast niet af, stofzuigt niet, durft nog geen vaasje te verzetten, leegt zelfs de asbak niet.
Dan slaat langzaam de rusteloosheid toe, en het besef dat dit niet werkt. En hoewel hij lief is voor zijn vrouw, en zij voor hem, komt de dag dat hij opstaat uit zijn stoel en gaat. En dan komt hij niet meer terug. Want dat kun je, als je psychopaat bent.
Dan komt hij in een stad en koopt cocaïne en alcohol. En dan komt hij weer tot leven. En daarvoor leegt hij opnieuw kassa's van winkels en dat gaat goed tot hij weer opgepakt wordt.
"En dan ga ik weer naar huis", zegt hij. En dan bedoelt hij niet naar zijn vrouw, hij heeft het over de gevangenis. Wat dat is zijn thuis, het is de enige plek waar hij niet stil in een stoel zit en niets durft aan te raken. En hij tekent daar de echtscheidingsformulieren want vlak voordat hij vertrok durfde hij wel iets aan te raken, en dat nam hij dan mee. En dan zet hij een contactadvertentie.
Abonneren op:
Posts (Atom)




