“Ik eis respect”, zegt patiënt op boze toon. Kennelijk ontbreekt het hem daaraan, dus ik heb wat te doen, want dat kan zo maar niet.
Omdat ik niet zo goed weet wat dat is, respect, baseer ik mij op de opvatting over respect van Paul Schnabel, de voormalig directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In een publicatie hierover kwam hij, in mijn woorden weergegeven, tot het volgende.
Het begrip ‘respect’ is van betekenis aan het veranderen. Voorheen was respect iets wat betuigd werd aan iemand die iets respectabels had gedaan, of die op grond van zijn functie gerespecteerd diende te worden. Dat leidde zelden tot misverstanden: men was het eens over het respectabele van de verrichtte handeling, of men bekleedde een functie – notaris, burgemeester – die puur op zichzelf dwong tot respect. Vaak ook was gewoon oud zijn voldoende voor respect – eerbied voor grijze haren – waar het respectabele er dan uit bestond om oud te worden, of grijs, of beide.
Vandaag de dag lijkt respect iets wat door iedereen opgeëist kan worden zonder dat er sprake is van de bijbehorende respectabele verrichting, of funktie. Een soort recht, als het ware: het recht op respect. Niet alleen personen, maar ook opvattingen lijken recht te hebben op respect.
Dat geeft te denken. In mijn tijd diende je inderdaad respect te hebben voor ouderen; het waarom ervan was niet altijd duidelijk omdat niet álle ouderen respect afdwongen. Er waren er, maar dat zeg ik wat kleintjes, waar ik geen respect voor had. Maar ik begreep dat toen als een tekort van mij.
Respect hebben voor opvattingen lijkt ook zo iets. Dat schijnt te moeten. En omdat ik mee moet in deze wereld doe ik dat ook maar, al moet ik eerlijk zeggen dat er – diep in mij – opvattingen zijn die ik in het geheel niet respecteer. Integendeel, ik denk nog dat er verwerpelijke opvattingen zijn.
Respect voor mensen, daar kan ik beter mee uit de voeten. Ik doe er erg mijn best voor. Vanuit mijn leeftijdsklasse bezien zou het begrijpelijk zijn als ik patiënt vroeg wat voor respectabels hij dan heeft gedaan. Maar zo'n gesprek loopt dood, patiënt voelt zich niet begrepen, voelt zich afgewezen en wordt nog nurkser. Dus ik doe het maar anders. Het gesprek verloopt als volgt ( P is patiënt, T ben ik. Schuin gedrukt: mijn overweging om zo te reageren):
P: (boos) Ik eis respect.
T: Goed idee. (bijvallen, niet tegenspreken. Haalt de wind uit de zeilen. Werkt altijd.)
..... Wat moet ik doen dat jij denkt, hé, hij heeft respect? (informatieve, vriendelijke vraag: ik wil wel, maar weet niet goed hoe. Help mij. Moeilijk voor hem om boos te blijven.)
P: ........ (Tja, wat nu. Nu moet hij nadenken over wat hij precies wil.)
Eh ...... Ja ...... Nou, dat mensen mij niet tegenspreken, enzo ....
T: Juist (Juist. Zie daar de definitie van respect. Nu nog de enzo.)
Dat is het?
P: Dat mensen mij in mijn waarde laten, enzo.(Is dat niet hetzelfde als respect? Nog maar een keer, dan.)
T: En hoe doe ik dat, jou in je waarde laten?
P: (zucht) Nou, dat ik ook eens wat goed doe, dat ze niet altijd lopen te zeiken tegen mij, enzo (Zonder enzo gaat het niet. Maar hij heeft een punt.)
T: Ja, dat is ook lastig met ons, we zien en horen alles (Bijval).... En we krijgen er nog voor betaald ook (Poging tot humor)
P: (verbaasd - gevolgd door glimlach. Poging tot humor geslaagd?) Ja dat snap ik wel man, maar dat is moeilijk. Maar ik doe nooit wat goed, het is altijd kritiek, nooit eens dat ze zeggen .... nou, dat ik het ook wel goed doe .....
Nu kan het gesprek verder. Hij heeft wel een punt, hij loopt veel kritiek op.
Respect betekent bij hem aanvankelijk 'je moet me niet tegenspreken' maar wordt tot een 'ik krijg alleen maar kritiek'. Maar nu komen we ergens. Wij kunnen stoppen met kritiek (dan heeft hij zijn respect), we kunnen ook kijken waarom hij zoveel kritiek oploopt. Nog even verder kleien, uitleggen wat de gevolgen zijn van die twee mogelijkheden en hém dan laten kiezen. Nou ja, wel een beetje sturen. Respectvol sturen ....
Google Analytics
donderdag 24 april 2014
zondag 13 april 2014
Thuis
Opgepakt worden door de politie, dat went. Volgens zijn Justitieel dossier is hij 41 keer veroordeeld, en dat betekent dat hij vele malen vaker moet zijn opgepakt. Hij heeft zijn leven de afgelopen 15 jaar doorgebracht binnen Hoog Catharijne, het Huis van Bewaring en de gevangenis. En hij is ook nog vier keer getrouwd geweest. En daar vertelt hij nu over.
Het vinden van een huwelijkspartner is niet moeilijk, daar zijn blaadjes voor. Vanuit de gevangenis zet hij dan een contactadvertentie en dan zijn er zo maar trouwlustige dames, die hem en passant ook willen redden van verdere Justitiële bemoeienis. Ze komen dan op bezoek, in de gevangenis en omdat hij voldoet aan bijna alle criteria voor psychopathie, inclusief de charmante, gladde prater, kon hij uitkiezen.
Zelf dacht hij niet aan trouwen, hij had onderdak nodig, daar ging het hem om. Maar bezwaar had hij ook niet, en omdat hij echt ook wel lief voor zijn vrouwen was, kwam het er toch van. En zo is hij twee keer in de gevangenis getrouwd, en twee keer er buiten.
Hij vertelt dit alles als heeft hij een gewoon normaal mensenleven geleefd, doorsnee. Niets in zijn leven beschouwd hij als bijzonder - ook een psychopatentrekje, trouwens.
En dan ging hij met zo'n mevrouw, keurig getrouwd, mee naar huis en daar kreeg hij het Spaans benauwd.
Aan woorden ontbreekt het hem niet, en aan beeldende taal ook niet. Hij betreedt een hem onbekend huis en gaat zitten op een hem onbekende stoel. Daar zit hij, heel stil, want niets is van hem. Hij durft niets aan te raken, "ook na maanden durfde ik nog geen kastje open te maken". Hij ligt 's nachts in een hem onbekend bed naast een hem, in feite onbekende mevrouw. Hij wast niet af, stofzuigt niet, durft nog geen vaasje te verzetten, leegt zelfs de asbak niet.
Dan slaat langzaam de rusteloosheid toe, en het besef dat dit niet werkt. En hoewel hij lief is voor zijn vrouw, en zij voor hem, komt de dag dat hij opstaat uit zijn stoel en gaat. En dan komt hij niet meer terug. Want dat kun je, als je psychopaat bent.
Dan komt hij in een stad en koopt cocaïne en alcohol. En dan komt hij weer tot leven. En daarvoor leegt hij opnieuw kassa's van winkels en dat gaat goed tot hij weer opgepakt wordt.
"En dan ga ik weer naar huis", zegt hij. En dan bedoelt hij niet naar zijn vrouw, hij heeft het over de gevangenis. Wat dat is zijn thuis, het is de enige plek waar hij niet stil in een stoel zit en niets durft aan te raken. En hij tekent daar de echtscheidingsformulieren want vlak voordat hij vertrok durfde hij wel iets aan te raken, en dat nam hij dan mee. En dan zet hij een contactadvertentie.
Het vinden van een huwelijkspartner is niet moeilijk, daar zijn blaadjes voor. Vanuit de gevangenis zet hij dan een contactadvertentie en dan zijn er zo maar trouwlustige dames, die hem en passant ook willen redden van verdere Justitiële bemoeienis. Ze komen dan op bezoek, in de gevangenis en omdat hij voldoet aan bijna alle criteria voor psychopathie, inclusief de charmante, gladde prater, kon hij uitkiezen.
Zelf dacht hij niet aan trouwen, hij had onderdak nodig, daar ging het hem om. Maar bezwaar had hij ook niet, en omdat hij echt ook wel lief voor zijn vrouwen was, kwam het er toch van. En zo is hij twee keer in de gevangenis getrouwd, en twee keer er buiten.
Hij vertelt dit alles als heeft hij een gewoon normaal mensenleven geleefd, doorsnee. Niets in zijn leven beschouwd hij als bijzonder - ook een psychopatentrekje, trouwens.
En dan ging hij met zo'n mevrouw, keurig getrouwd, mee naar huis en daar kreeg hij het Spaans benauwd.
Aan woorden ontbreekt het hem niet, en aan beeldende taal ook niet. Hij betreedt een hem onbekend huis en gaat zitten op een hem onbekende stoel. Daar zit hij, heel stil, want niets is van hem. Hij durft niets aan te raken, "ook na maanden durfde ik nog geen kastje open te maken". Hij ligt 's nachts in een hem onbekend bed naast een hem, in feite onbekende mevrouw. Hij wast niet af, stofzuigt niet, durft nog geen vaasje te verzetten, leegt zelfs de asbak niet.
Dan slaat langzaam de rusteloosheid toe, en het besef dat dit niet werkt. En hoewel hij lief is voor zijn vrouw, en zij voor hem, komt de dag dat hij opstaat uit zijn stoel en gaat. En dan komt hij niet meer terug. Want dat kun je, als je psychopaat bent.
Dan komt hij in een stad en koopt cocaïne en alcohol. En dan komt hij weer tot leven. En daarvoor leegt hij opnieuw kassa's van winkels en dat gaat goed tot hij weer opgepakt wordt.
"En dan ga ik weer naar huis", zegt hij. En dan bedoelt hij niet naar zijn vrouw, hij heeft het over de gevangenis. Wat dat is zijn thuis, het is de enige plek waar hij niet stil in een stoel zit en niets durft aan te raken. En hij tekent daar de echtscheidingsformulieren want vlak voordat hij vertrok durfde hij wel iets aan te raken, en dat nam hij dan mee. En dan zet hij een contactadvertentie.
zaterdag 29 maart 2014
Normaal
In het Grote Handboek voor psychiaters en psychologen, formeel de DSM-IV, binnenkort de DSM 5.0, en inofficieel wel de bijbel voor hulpverleners genoemd, staan ze keurig gerubriceerd, de parafilieën. Dan gaat het over seksueel afwijkend gedrag, en dat is nog een heel rijtje. Afhankelijk van uw voorkeur heeft u een ( on-)smakelijke middag, als u dat doorleest.
En daarna weet u wat we zien als niet-normaal. Dat zegt, gek genoeg, niets over wat we wel normaal vinden, want dat weten wij niet. Het beste wat we er van kunnen zeggen is dat u, als u geen parafilie hebt, in de buurt komt van het normale.
Dat is een beetje de makke van sommige wetenschappen. We weten heel goed wat afwijkend is, maar niet zo goed wat normaal is. Daar gaan we niet over, namelijk.
Zo heeft de dokter wel een aardig beeld van wat 'ziek' is, maar aan een definitie van 'gezond' waagt hij zich niet. De medische wetenschap kan 'dood' heel goed omschrijven, maar het begrip 'leven', daar beginnen ze niet aan.
Binnen ons vakgebied veranderen de dingen ook nog wel eens: wat op het ene moment als parafilie, afwijking, wordt gezien is dat later niet meer. We plooien mee met wat u vindt, denk ik, en trouwens, dat doet de wet ook. Een voorbeeld daarvan is homoseksualiteit: tot in de 50-er jaren werd dat gezien als een parafilie, en het was nog strafbaar ook. Daar zijn we mee gestopt omdat u het niet langer nodig vond. Of omdat wij wijzer werden, maar daar ben ik niet zo zeker van.
Dat de normen en waarden van een samenleving terug te vinden zijn in de wetten van die samenleving is goed uit te leggen. Maar dat ze ook terug te vinden zijn binnen de psychologie en psychiatrie, dat is lastiger uit te leggen.
Wie honderd jaar geleden, op een mooie zomerse dag, in zijn blote kont op het strand ging staan moest serieus rekening houden met een opname in de psychiatrie - vandaag de dag haalt men hooguit de schouders op, als men al wat vindt. En daar hebben we ze weer, het koppel psychiatrie/psychologie en wet. Die kunnen het wel vinden samen, lijkt het.
Ze lijken zo onaantastbaar, die disciplines. De Wet, dat is iets groots waar u niet over gaat, en psychologie en psychiatrie, het lijkt niet alsof u daar invloed op heeft.
Maar niets is minder waar. Wij volgen uw opvatting. U zegt het maar, wat u fout vindt of gek, en wij volgen.
En misschien is het maar goed dat u niet vastlegt wat 'normaal' is. Dat geeft nog een beetje ruimte, en bovendien, dat is morgen weer anders.
En daarna weet u wat we zien als niet-normaal. Dat zegt, gek genoeg, niets over wat we wel normaal vinden, want dat weten wij niet. Het beste wat we er van kunnen zeggen is dat u, als u geen parafilie hebt, in de buurt komt van het normale.
Dat is een beetje de makke van sommige wetenschappen. We weten heel goed wat afwijkend is, maar niet zo goed wat normaal is. Daar gaan we niet over, namelijk.
Zo heeft de dokter wel een aardig beeld van wat 'ziek' is, maar aan een definitie van 'gezond' waagt hij zich niet. De medische wetenschap kan 'dood' heel goed omschrijven, maar het begrip 'leven', daar beginnen ze niet aan.
Binnen ons vakgebied veranderen de dingen ook nog wel eens: wat op het ene moment als parafilie, afwijking, wordt gezien is dat later niet meer. We plooien mee met wat u vindt, denk ik, en trouwens, dat doet de wet ook. Een voorbeeld daarvan is homoseksualiteit: tot in de 50-er jaren werd dat gezien als een parafilie, en het was nog strafbaar ook. Daar zijn we mee gestopt omdat u het niet langer nodig vond. Of omdat wij wijzer werden, maar daar ben ik niet zo zeker van.
Dat de normen en waarden van een samenleving terug te vinden zijn in de wetten van die samenleving is goed uit te leggen. Maar dat ze ook terug te vinden zijn binnen de psychologie en psychiatrie, dat is lastiger uit te leggen.
Wie honderd jaar geleden, op een mooie zomerse dag, in zijn blote kont op het strand ging staan moest serieus rekening houden met een opname in de psychiatrie - vandaag de dag haalt men hooguit de schouders op, als men al wat vindt. En daar hebben we ze weer, het koppel psychiatrie/psychologie en wet. Die kunnen het wel vinden samen, lijkt het.
Ze lijken zo onaantastbaar, die disciplines. De Wet, dat is iets groots waar u niet over gaat, en psychologie en psychiatrie, het lijkt niet alsof u daar invloed op heeft.
Maar niets is minder waar. Wij volgen uw opvatting. U zegt het maar, wat u fout vindt of gek, en wij volgen.
En misschien is het maar goed dat u niet vastlegt wat 'normaal' is. Dat geeft nog een beetje ruimte, en bovendien, dat is morgen weer anders.
zaterdag 22 maart 2014
Doosje
Ik ga bij hem op bezoek in de nieuwe inrichting waar hij nu mag wonen. Hij heeft niet zo lang bij ons gezeten, we hebben vooral gezocht naar een plekje voor hem, waar hij kan wonen en waar mensen hem kunnen helpen. Want dat kan hij zelf niet zo goed. De instelling waar hij nu verblijft draagt, voor haar naam, de letters SGLVG. Dat staat voor Sterk Gedragsgestoord en Licht Verstandelijk Gehandicapt. Maar dat weet hij niet, van die letters.
Als ik er ben moet ik mij opnieuw voorstellen. Hij schrikt er erg van, hij denkt dat ik hem mee terugneem, en dat wil hij niet. Maar omdat hij binnenkort een verlengingszitting heeft wel ik hem zelf even spreken. Dat blijkt niet zo'n goed idee.
Op de vraag hoe hij het hier vindt moet hij lang nadenken. Maar hij vindt het fijn hier. Hij laat mij zijn slaapkamer zien, en de tuin. En hij laat zijn werk zien, dat zit bij hem in huis. Of er wel eens dingen zijn die hij moeilijk vindt, vraag ik. Daar moet hij ook lang over nadenken. Vroeger vond hij het omgaan met zijn boosheid moeilijk, daarom kwam hij ook bij ons. Maar nu heeft hij toch ook wel iets wat hij moeilijk vindt. Hij wil het me laten zien, want hij kan niet zo goed met woorden, dus we lopen weer naar zijn werk. Zijn werk bestaat er uit dat hij twee flesjes, drie doosjes en een plat pakje in een iets grotere doos moet doen. De doos is zo ingericht dat het maar op één manier kan. Het zijn proefmonsters van een drogisterij, zie ik. Hij doet me voor hoe het moet: eerst de flesjes, aan de ene kant. Dan de doosjes, aan de andere kant. En het platte pakje er tussen in. Hij is geconcentreerd bezig, tong uit de mond, en het geeft hem voldoening. En het moeilijke is nu dat als dit klaar is er een andere opdracht komt, met andere flesjes, doosjes en plat pakje. En die moeten er dan net anders in, en dat is moeilijk. Het kost hem veel tijd om dat te leren, en dan kan hij nog wel eens boos worden. Dan mag hij, van zijn begeleiders, wat minder werken en dan gaan ze een stukje fietsen, want dat is ook fijn. En dan hoeft hij in zijn boosheid geen mensen te slaan.
De week er op is hij, hoor ik van zijn begeleiders, behoorlijk uit zijn doen. Hoe goed ik ook heb geprobeerd uit te leggen dat hij hier mag blijven, en dat ik trots op hem ben, toch denkt hij dat hij nu terug moet naar ons - want waarom was ik anders gekomen? En hij wil niet terug.
Dus nou mag ik niet meer komen, daar. Want hij kan maar één doosje tegelijk.
Als ik er ben moet ik mij opnieuw voorstellen. Hij schrikt er erg van, hij denkt dat ik hem mee terugneem, en dat wil hij niet. Maar omdat hij binnenkort een verlengingszitting heeft wel ik hem zelf even spreken. Dat blijkt niet zo'n goed idee.
Op de vraag hoe hij het hier vindt moet hij lang nadenken. Maar hij vindt het fijn hier. Hij laat mij zijn slaapkamer zien, en de tuin. En hij laat zijn werk zien, dat zit bij hem in huis. Of er wel eens dingen zijn die hij moeilijk vindt, vraag ik. Daar moet hij ook lang over nadenken. Vroeger vond hij het omgaan met zijn boosheid moeilijk, daarom kwam hij ook bij ons. Maar nu heeft hij toch ook wel iets wat hij moeilijk vindt. Hij wil het me laten zien, want hij kan niet zo goed met woorden, dus we lopen weer naar zijn werk. Zijn werk bestaat er uit dat hij twee flesjes, drie doosjes en een plat pakje in een iets grotere doos moet doen. De doos is zo ingericht dat het maar op één manier kan. Het zijn proefmonsters van een drogisterij, zie ik. Hij doet me voor hoe het moet: eerst de flesjes, aan de ene kant. Dan de doosjes, aan de andere kant. En het platte pakje er tussen in. Hij is geconcentreerd bezig, tong uit de mond, en het geeft hem voldoening. En het moeilijke is nu dat als dit klaar is er een andere opdracht komt, met andere flesjes, doosjes en plat pakje. En die moeten er dan net anders in, en dat is moeilijk. Het kost hem veel tijd om dat te leren, en dan kan hij nog wel eens boos worden. Dan mag hij, van zijn begeleiders, wat minder werken en dan gaan ze een stukje fietsen, want dat is ook fijn. En dan hoeft hij in zijn boosheid geen mensen te slaan.
De week er op is hij, hoor ik van zijn begeleiders, behoorlijk uit zijn doen. Hoe goed ik ook heb geprobeerd uit te leggen dat hij hier mag blijven, en dat ik trots op hem ben, toch denkt hij dat hij nu terug moet naar ons - want waarom was ik anders gekomen? En hij wil niet terug.
Dus nou mag ik niet meer komen, daar. Want hij kan maar één doosje tegelijk.
zaterdag 15 maart 2014
Logé
Hij overleed op zijn 82-ste en het schijnt - het was voor mijn tijd - dat hij tevreden terugblikte op zijn leven. En dat is best bijzonder.
Want hij overleed bij ons. Vanwege zijn leeftijd had de rechter al drie of vier jaar voor zijn overlijden gezegd dat het niet meer hoefde, bij ons blijven. Hij was nu vrij man. Maar hij wilde niet weg. Dat gaf een probleem want wij zijn geen hotel, je moet een titel hebben om bij ons te mogen wonen. Geen universitaire titel - dat mag wel, maar je moet ook een ándere titel hebben, één die een heel andere attitude vergt. Zo'n titel luidt dan 'Tbs', of 'RM', of 'PIJ'. En er zijn nog meer titels die behaald kunnen worden, maar voor hem moesten we een titel uitvinden. Dat hebben we gedaan en sindsdien verbleef hij bij ons met de titel 'logé'. En met die titel overleed hij in de schoot van vrouwe Justitia.
Hij had wel wat met die schoot. Want 82 jaar eerder zat zijn moeder gedetineerd vanwege diefstal, waardoor hij ook in die schoot is geboren. Daarmee is hij dankbaar bewijs voor die somberaars die menen dat het leven rond is: hoe hard je ook ploetert in je bestaan, je eindigt niet zo ver van je beginpunt.
In feite is hij nooit zo ver van zijn begin- en eindpunt verwijderd geweest. Zijn opvoeders hadden het niet zo op regels en wetten waardoor hij al op zeer jeugdige leeftijd datgene deed wat zijn moeder hem voordeed. Zijn jonge jaren bracht hij door in jeugdinrichtingen, zijn puberteit ook. Veelal Justitiële jeugdinrichtingen, later, toen hij groot was gevolgd door gevangenissen en Justitiële klinieken. Wij hebben zijn dossier niet kompleet kunnen krijgen maar geschat wordt dan hij van zijn 82 levensjaren er zo'n zeven of acht in vrijheid heeft doorgebracht, verspreid over die 82 jaar. De overige jaren bevond hij zich in, of vlakbij, de schoot van vrouwe Justitia. In die zeven of acht vrije jaren heeft ook hij hard geploeterd, met als doel: terugkeren naar die schoot.
Dus dat hij tevreden terugkeek op zijn leven is te begrijpen - hij heeft zijn doel telkens weer behaald. En meer nog: we zijn allemaal te gast op moeder aarde, maar hij is de enige met de bijbehorende titel: logé.
Want hij overleed bij ons. Vanwege zijn leeftijd had de rechter al drie of vier jaar voor zijn overlijden gezegd dat het niet meer hoefde, bij ons blijven. Hij was nu vrij man. Maar hij wilde niet weg. Dat gaf een probleem want wij zijn geen hotel, je moet een titel hebben om bij ons te mogen wonen. Geen universitaire titel - dat mag wel, maar je moet ook een ándere titel hebben, één die een heel andere attitude vergt. Zo'n titel luidt dan 'Tbs', of 'RM', of 'PIJ'. En er zijn nog meer titels die behaald kunnen worden, maar voor hem moesten we een titel uitvinden. Dat hebben we gedaan en sindsdien verbleef hij bij ons met de titel 'logé'. En met die titel overleed hij in de schoot van vrouwe Justitia.
Hij had wel wat met die schoot. Want 82 jaar eerder zat zijn moeder gedetineerd vanwege diefstal, waardoor hij ook in die schoot is geboren. Daarmee is hij dankbaar bewijs voor die somberaars die menen dat het leven rond is: hoe hard je ook ploetert in je bestaan, je eindigt niet zo ver van je beginpunt.
In feite is hij nooit zo ver van zijn begin- en eindpunt verwijderd geweest. Zijn opvoeders hadden het niet zo op regels en wetten waardoor hij al op zeer jeugdige leeftijd datgene deed wat zijn moeder hem voordeed. Zijn jonge jaren bracht hij door in jeugdinrichtingen, zijn puberteit ook. Veelal Justitiële jeugdinrichtingen, later, toen hij groot was gevolgd door gevangenissen en Justitiële klinieken. Wij hebben zijn dossier niet kompleet kunnen krijgen maar geschat wordt dan hij van zijn 82 levensjaren er zo'n zeven of acht in vrijheid heeft doorgebracht, verspreid over die 82 jaar. De overige jaren bevond hij zich in, of vlakbij, de schoot van vrouwe Justitia. In die zeven of acht vrije jaren heeft ook hij hard geploeterd, met als doel: terugkeren naar die schoot.
Dus dat hij tevreden terugkeek op zijn leven is te begrijpen - hij heeft zijn doel telkens weer behaald. En meer nog: we zijn allemaal te gast op moeder aarde, maar hij is de enige met de bijbehorende titel: logé.
vrijdag 7 maart 2014
Telefoon
Omdat ik iets voor mijn computer moet hebben waarvan ik niet weet hoe het heet, en alleen maar weet wat het kan, luistert de verkoper geduldig naar mij. Hij doet zijn best en we lijken er wel uit te komen. Dan gaat zijn telefoon. Hij neemt direkt op en wendt zich van mij af. Omdat ik zo snel niet meer ben maak ik mijn zin nog af, met steeds minder volume. Hij wuift naar me: ik moet even stil zijn.
Dat val ik ook, stil. Het is een geanimeerd gesprek en hij lijkt mij vergeten. Even weet ik niet wat te doen. Tik ik hem op de schouders met een 'hé, ik was eerst?' Zal ik iets omgooien? Maar ik besluit te gaan. Bij de deur zwaai ik even, maar ik geloof niet dat hij mij ziet.
Omdat ik in een klein dorp woon kom ik hem later die maand ergens tegen. Hij herinnert zich mij nog en uit zijn ontstemming over mijn gedrag. Ik heb mij niet beleefd gedragen. Mijn kant van de zaak komt niet binnen, hij acht mijn visie volstrekt belachelijk.
De therapie met patiënt lijkt, na maanden, eindelijk te gaan lopen, hij komt nu zelfs op tijd. Na 15 minuten praten gaat zijn telefoon. Die wordt uit één van zijn vele zakken gehaald en hij staat de beller uitvoerig te woord. Het blijkt zijn vriendin en het gesprek van zijn kant bevat vooral woorden als 'liefie', 'schatje', 'poppie' en veel gesmak, die voor kusjes moeten doorgaan. Ik moet maar even wachten, begrijp ik. Als ik hem na het gesprek voorleg dat dit niet handig is kijkt hij mij verbijsterd aan: zijn telefoon ging, dat snap ik toch zeker wel?
Weer iets later heb ik een verlengingszitting, ergens in den lande. Door het gerechtsgebouw heen hangen instructies die aangeven dat mobiele telefoons uitgezet moeten worden, tijdens een zitting. Maar wie vele jaren door die gebouwen heenloopt ziet dat soort bordjes niet meer.
De zitting verloopt wat stroef en de Rechtbank is, om mij onbekende redenen, al geïrriteerd als plotseling de vijfde van Beethoven losbarst. De advocaat verschiet van kleur en duikt in zijn rolkoffer om telefonisch Beethoven te smoren. De voorzitter is zichtbaar ontstemd en wacht ongeduldig tot de jengeltoon van de telefoon stopt. Hij haalt juist adem om tot een scherpe terechtwijzing te komen als mijn telefoon overgaat.
Ik had u eigenlijk willen vertellen dat ik een beter mens ben dan u. Misschien denkt iedereen dat wel, diep van binnen: ik zie het beter dan jullie, ik ben de enige die wel weet hoe het moet, luister toch eens naar mij.
Maar het lukt me niet. Ik blijk telkens toch weer heel menselijk te zijn. En dat stelt me, gek genoeg, iedere keer weer gerust. Want beter zijn, dat is onmenselijk.
Dat val ik ook, stil. Het is een geanimeerd gesprek en hij lijkt mij vergeten. Even weet ik niet wat te doen. Tik ik hem op de schouders met een 'hé, ik was eerst?' Zal ik iets omgooien? Maar ik besluit te gaan. Bij de deur zwaai ik even, maar ik geloof niet dat hij mij ziet.
Omdat ik in een klein dorp woon kom ik hem later die maand ergens tegen. Hij herinnert zich mij nog en uit zijn ontstemming over mijn gedrag. Ik heb mij niet beleefd gedragen. Mijn kant van de zaak komt niet binnen, hij acht mijn visie volstrekt belachelijk.
De therapie met patiënt lijkt, na maanden, eindelijk te gaan lopen, hij komt nu zelfs op tijd. Na 15 minuten praten gaat zijn telefoon. Die wordt uit één van zijn vele zakken gehaald en hij staat de beller uitvoerig te woord. Het blijkt zijn vriendin en het gesprek van zijn kant bevat vooral woorden als 'liefie', 'schatje', 'poppie' en veel gesmak, die voor kusjes moeten doorgaan. Ik moet maar even wachten, begrijp ik. Als ik hem na het gesprek voorleg dat dit niet handig is kijkt hij mij verbijsterd aan: zijn telefoon ging, dat snap ik toch zeker wel?
Weer iets later heb ik een verlengingszitting, ergens in den lande. Door het gerechtsgebouw heen hangen instructies die aangeven dat mobiele telefoons uitgezet moeten worden, tijdens een zitting. Maar wie vele jaren door die gebouwen heenloopt ziet dat soort bordjes niet meer.
De zitting verloopt wat stroef en de Rechtbank is, om mij onbekende redenen, al geïrriteerd als plotseling de vijfde van Beethoven losbarst. De advocaat verschiet van kleur en duikt in zijn rolkoffer om telefonisch Beethoven te smoren. De voorzitter is zichtbaar ontstemd en wacht ongeduldig tot de jengeltoon van de telefoon stopt. Hij haalt juist adem om tot een scherpe terechtwijzing te komen als mijn telefoon overgaat.
Ik had u eigenlijk willen vertellen dat ik een beter mens ben dan u. Misschien denkt iedereen dat wel, diep van binnen: ik zie het beter dan jullie, ik ben de enige die wel weet hoe het moet, luister toch eens naar mij.
Maar het lukt me niet. Ik blijk telkens toch weer heel menselijk te zijn. En dat stelt me, gek genoeg, iedere keer weer gerust. Want beter zijn, dat is onmenselijk.
vrijdag 28 februari 2014
Sokken
Als hij later een auto heeft mag zijn vrouw daar niet in rijden. Een auto gaat zich naar een chauffeur 'zetten' legt hij uit, vandaar.
Nu heeft hij geen vrouw - tenminste, niet meer, daarom zit hij bij ons. En ook geen auto. Maar in zijn opmerking schemert iets door van hoe hij tot zijn delict is gekomen. Maar nu eerst legt hij mij uit hoe auto's zich zetten. Die schijnen door te hebben wie chauffeert en reageren daarop. En als een auto eenmaal is gezet verdraagt deze geen andere berijder meer. Ik wist dat niet en hij is verbaasd over mijn onkunde.
Hij heeft wel meer opvattingen die mij verbazen, vooral over het man-vrouw verschil. Dat komt nogal precies, bij hem. Ik vermoed dat zijn opvattingen hierover zich ook 'gezet' hebben.
Maar eerst ben ik aan de beurt. Omdat het erg warm is vandaag heb ik geen sokken aan. Dat is niet zichtbaar als ik sta of loop, maar nu zit ik en heeft hij het gezien. Grote afkeuring valt mij ten deel - dit kan echt niet. Nu tref ik regelmatig patiënten die even mijn kraagje rechttrekken en kort voor een presentatie heeft de beleidsmedewerkster recent nog mijn neushaar geknipt, dus het ontbreekt mij wel eens aan het juiste gevoel voor dit soort dingen - en ook over die sokken had ik niet echt nagedacht.
Zelf is hij gekleed is een ernstig verlopen veel te wijde korte broek, een te kort t-shirt waar tamelijk veel buik onder uit steekt en een soort van Zweedse klompen. En hij heeft sokken aan, uiteraard. Hij legt me uit dat 'zonder sokken' echt niet kan, bij een man. Het grenst, maar nu geef ik het even in mijn eigen woorden weer, aan het obscene.
Nu zijn mij al veel kwalificaties ten deel gevallen door patiënten, in de vele jaren dat ik hier rondloop, maar deze had ik nog niet. Ik bestudeer nog op welke plaats ik deze ga zetten, in mijn geheime c.v.
Maar ergens herken ik het wel. Ik woon zelf in een dorp dat zich 's zomers mag verheugen in veel toeristen. Mensen uit de randstad, zeggen ze bij ons, die hier komen kamperen. En die lopen met z'n allen bij ons door de 'stad'. De vrouwen op hun zomerst, met te krappe jurkjes aan, de kinderen op hun jengelst en de mannen sjokken daar achteraan, alsof ze er niet bij horen. De mannen zijn ook zomers gekleed, op een manier die nog wel eens, eh, verrast zullen we maar zeggen, maar altijd met sokken. Hoe kort ook de broek, hoe open ook de schoen, hoe heet ook het weer: sokken!
Er is onderzoek naar gedaan: in welke volgorde kleden mensen zich uit, bij het slapen-gaan of douchen. Dat hebben ze mensen gevraagd en dat is nog best lastig - weet u nu precies in welke volgorde u zich ontkleedt? De mensen die het gevraagd zijn wel, en het schijnt dat bij mannen de onderbroek als laatste gaat, maar deze wint het maar net van de sokken. Wij mannen hebben iets met sokken, blijkt. Bij vrouwen trouwens won de bh, de onderbroek gaat eerst en dan pas de bh.
Misschien geeft dat weer waar wij ons het kwetsbaarst voelen, dat kledingstuk valt als laatste. Maar dat van die sokken krijg ik toch niet goed begrepen, waarom zijn mannen nu juist daar zo gevoelig. Iets met Achilles misschien? Zijn mannenvoeten zo afstotend, misschien zo onwelriekend, dat we ons er diep voor schamen? Vinden wij mannen het toch ook obsceen?
Dus daar loop ik sindsdien over te denken. Waarom de damesonderbroek, qua ontkledingsschaamte, dezelfde positie inneemt als mannensokken. Ik zie het niet. Het heeft zich nog niet gezet, bij me. Maar mocht u een idee hebben .....
Nu heeft hij geen vrouw - tenminste, niet meer, daarom zit hij bij ons. En ook geen auto. Maar in zijn opmerking schemert iets door van hoe hij tot zijn delict is gekomen. Maar nu eerst legt hij mij uit hoe auto's zich zetten. Die schijnen door te hebben wie chauffeert en reageren daarop. En als een auto eenmaal is gezet verdraagt deze geen andere berijder meer. Ik wist dat niet en hij is verbaasd over mijn onkunde.
Hij heeft wel meer opvattingen die mij verbazen, vooral over het man-vrouw verschil. Dat komt nogal precies, bij hem. Ik vermoed dat zijn opvattingen hierover zich ook 'gezet' hebben.
Maar eerst ben ik aan de beurt. Omdat het erg warm is vandaag heb ik geen sokken aan. Dat is niet zichtbaar als ik sta of loop, maar nu zit ik en heeft hij het gezien. Grote afkeuring valt mij ten deel - dit kan echt niet. Nu tref ik regelmatig patiënten die even mijn kraagje rechttrekken en kort voor een presentatie heeft de beleidsmedewerkster recent nog mijn neushaar geknipt, dus het ontbreekt mij wel eens aan het juiste gevoel voor dit soort dingen - en ook over die sokken had ik niet echt nagedacht.
Zelf is hij gekleed is een ernstig verlopen veel te wijde korte broek, een te kort t-shirt waar tamelijk veel buik onder uit steekt en een soort van Zweedse klompen. En hij heeft sokken aan, uiteraard. Hij legt me uit dat 'zonder sokken' echt niet kan, bij een man. Het grenst, maar nu geef ik het even in mijn eigen woorden weer, aan het obscene.
Nu zijn mij al veel kwalificaties ten deel gevallen door patiënten, in de vele jaren dat ik hier rondloop, maar deze had ik nog niet. Ik bestudeer nog op welke plaats ik deze ga zetten, in mijn geheime c.v.
Maar ergens herken ik het wel. Ik woon zelf in een dorp dat zich 's zomers mag verheugen in veel toeristen. Mensen uit de randstad, zeggen ze bij ons, die hier komen kamperen. En die lopen met z'n allen bij ons door de 'stad'. De vrouwen op hun zomerst, met te krappe jurkjes aan, de kinderen op hun jengelst en de mannen sjokken daar achteraan, alsof ze er niet bij horen. De mannen zijn ook zomers gekleed, op een manier die nog wel eens, eh, verrast zullen we maar zeggen, maar altijd met sokken. Hoe kort ook de broek, hoe open ook de schoen, hoe heet ook het weer: sokken!
Er is onderzoek naar gedaan: in welke volgorde kleden mensen zich uit, bij het slapen-gaan of douchen. Dat hebben ze mensen gevraagd en dat is nog best lastig - weet u nu precies in welke volgorde u zich ontkleedt? De mensen die het gevraagd zijn wel, en het schijnt dat bij mannen de onderbroek als laatste gaat, maar deze wint het maar net van de sokken. Wij mannen hebben iets met sokken, blijkt. Bij vrouwen trouwens won de bh, de onderbroek gaat eerst en dan pas de bh.
Misschien geeft dat weer waar wij ons het kwetsbaarst voelen, dat kledingstuk valt als laatste. Maar dat van die sokken krijg ik toch niet goed begrepen, waarom zijn mannen nu juist daar zo gevoelig. Iets met Achilles misschien? Zijn mannenvoeten zo afstotend, misschien zo onwelriekend, dat we ons er diep voor schamen? Vinden wij mannen het toch ook obsceen?
Dus daar loop ik sindsdien over te denken. Waarom de damesonderbroek, qua ontkledingsschaamte, dezelfde positie inneemt als mannensokken. Ik zie het niet. Het heeft zich nog niet gezet, bij me. Maar mocht u een idee hebben .....
Abonneren op:
Posts (Atom)